Home » Utrechtse Heuvelrug

Wandelroutes op de Utrechtse Heuvelrug

De Utrechtse Heuvelrug is een nationaal park vlakbij Amsterdam. Het strekt zich uit van Huizen in Noord-Holland tot Rhenen in Utrecht.

De wandelroutes en het GPX-bestanden zijn gratis te gebruiken en te downloaden. Deze website gebruikt geen cookies of tracking, zodat wandelaars kunnen wandelen met de vrijheid om niet gevolgd te worden!

Routebeschrijving

De Utrechtse Heuvelrug is een zandrug in het landschap van de Nederlandse provincies Utrecht en Noord-Holland tussen de randmeren in het noordwesten en de Rijn in het zuidoosten. De contouren van de lange heuvelrug die van Huizen tot Rhenen loopt, tekenen zich overal duidelijk af. De Utrechtse Heuvelrug heeft meerdere ‘toppen’ boven de 50 meter. Het hoogste punt is de Amerongse Berg met 69,2 meter boven zeeniveau. Het zuidelijkste punt is de Grebbeberg.

De Utrechtse Heuvelrug heeft veel bos. Daarnaast vinden we er een aantal heidegebieden en enkele stuifzanden. Het gebied strekt zich van het Gooimeer tot de Nederrijn uit over een totale lengte van circa 50 km. De totale oppervlakte is ongeveer 23 000 hectare. Daarmee is het na de Veluwe het grootste bosgebied van Nederland.

Ontstaan

De Utrechtse Heuvelrug is zo’n 150.000 jaar geleden ontstaan in de voorlaatste ijstijd, het Saalien. Vóór die tijd stroomden Rijn en Maas verder naar het noorden dan tegenwoordig, ongeveer op de plek waar nu de Gelderse Vallei ligt. Voorafgaand aan de ijsbedekking hadden deze rivieren daar dikke lagen zand en grind afgezet. Toen in het Saalien, het ijs tot dit deel van Nederland oprukte werden deze rivierafzettingen opgestuwd in hoge stuwwallen, zoals de Utrechtse Heuvelrug.

Aan de rand van het ijs zocht smeltwater zijn weg door zwakke plekken in de stuwwal en er ontstonden ijssmeltwaterdalen. Een fraai voorbeeld is de Darthuizerpoort bij Leersum, waar de weg van Leersum naar Maarsbergen is aangelegd (thans N226). Het sediment dat door deze smeltwaterstromen geërodeerd werd, werd in grote sandrvlakten aan de westrand van de Utrechtse Heuvelrug afgezet. Dit verklaart waarom de helling aan deze kant veel flauwer is dan aan de oostkant. Op deze sandurs zijn ook zwerfkeien te vinden die meegespoeld zijn met het smeltwater uit de ijskap.

In de laatste ijstijd (het Weichselien) kwamen de gletsjers niet tot in Nederland, maar was de bodem wel permanent bevroren (permafrost). Door de toen heersende harde winden werden lagen dekzand afgezet, met name aan de flanken van de Utrechtse Heuvelrug. Hierdoor breidde de Heuvelrug zich een stukje naar het oosten uit. Het gebied ten oosten van de Leusderheide bijvoorbeeld, waarop het landgoed Den Treek is gevestigd, behoorde aanvankelijk tot de Gelderse Vallei maar werd in deze periode opgehoogd met het dekzand.

Boven op de Utrechtse Heuvelrug vond erosie plaats in deze koude periode. Door de aanwezigheid van permafrost in het voorjaar kon smeltwater van de sneeuw niet makkelijk in de ondergrond infiltreren. Het gevolg was dat het water zich ging concentreren in stromen en de ondergrond ging eroderen waardoor de sneeuwsmeltwaterdalen (of droge dalen) gevormd werden. Deze zijn echter niet zo groot als de ijssmeltwaterdalen gevormd in het Saalien. De Rijn erodeerde de stuwwal aan de zuidkant, dit komt nu nog tot uiting in de steile helling van de Grebbeberg.

Toen het klimaat na de laatste ijstijd warmer werd, is het gebied bebost geraakt. Tijdens de Late Steentijd nam de bevolking met name in de hoger gelegen delen van Nederland zoals de Utrechtse Heuvelrug sterk toe. Het bos werd gekapt om landbouw en veeteelt te bedrijven. Vanaf de IJzertijd tot de Vroege middeleeuwen verplaatste de landbouw zich geleidelijk naar lager gelegen gebieden en kreeg de veeteelt de overhand. Op de droge heuvelrug ontstonden heidevelden en stuifzanden. Pas in de negentiende en twintigste eeuw werden op grote delen opnieuw bossen aangelegd.

De Utrechtse Heuvelrug is een aardkundig waardevol gebied. De heuvelrug vertoont de typische elementen die behoren bij een stuwwal, zoals het zeer representatieve smeltwaterdal van de Darthuizerpoort en de goed ontwikkelde sandr van de Leusderheide. Ook de steile hellingen van de Grebbeberg zijn een opvallend verschijnsel in Nederland. De Grebbeberg was het eerste door een provincie aangewezen aardkundig monument.

Heuvels

De Utrechtse Heuvelrug bestaat uit een aantal toppen die een specifieke naam gekregen hebben. Dit zijn onder andere de:

  • Amerongse Berg 69,2 m – Amerongen
  • Amersfoortse Berg 44,0 m – Amersfoort
  • Buurtsche Berg 59,9 m – Rhenen
  • Darthuizerberg 48,0 m – Leersum
  • Donderberg 36,0 m – Leersum (met graftombe en belvédère)
  • Donderberg 35,0 m – Rhenen
  • Doornse Kaap 53,0 m – Doorn (met uitzichttoren)
  • Elsterberg 62,5 m – Elst
  • Foldocusheuvel 38,0 m – Maarsbergen
  • Galgenberg 45,0 m – Amerongen/Elst
  • Geerenberg 45,0 m – Leersum
  • Grebbeberg 52,0 m – Rhenen
  • Hazenberg 51,0 m – Amerongen
  • Koerheuvel 51,0 m – Rhenen
  • Laarschenberg 48,0 m – Rhenen
  • Leersumse Berg 35,0 m – Leersum
  • Lombokheuvel 34,0 m – Leersum
  • Maarnse Berg 41,1 m – Maarn
  • Paasheuvel 52,9 m – Rhenen
  • Prattenburgse Berg 53,0 – Elst
  • Ruiterberg 57,9 m – Doorn
  • Sint-Helenaheuvel 40,3 m – Doorn
  • Soester Eng 18,0 m – Soest
  • Sparreboomsche Berg 54,8 m – Elst
  • Stompert 51,0 m – Soest
  • Thymse Berg 48,5 m – Rhenen
  • Vlakke Berg 65,7 m – Amerongen
  • Zonheuvel 46,4 m – Doorn
  • Zuilensteinse Berg 52,2 m – Leersum

Natuur

De Heuvelrug is een in geologisch en ecologisch opzicht waardevol gebied. Het is na de Veluwe het grootste bosgebied van Nederland. Het is aangemerkt als een kerngebied van het Natuurnetwerk Nederland. Het zuidelijk deel is in 2003 een Nationaal Park geworden.

Het gebied is echter versnipperd geraakt als gevolg van bebouwing en infrastructuur: voor veel diersoorten vormt de Heuvelrug geen aaneengesloten leefgebied meer, maar een onsamenhangend geheel van kleine populaties die vaak ver uit elkaar liggen. Daardoor bestaat het risico van uitsterven. Thans wordt hard gewerkt aan het tegengaan van deze versnippering van de natuur. De provincie Utrecht, Rijkswaterstaat, Het Utrechts Landschap, Natuurmonumenten, het Goois Natuurreservaat, Staatsbosbeheer, het IVN en andere organisaties werken samen, o.a. om ecoducten aan te leggen, waarbij de overbrugging van autosnelwegen de hoogste prioriteit heeft.

Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug

Het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug is een nationaal park in de Nederlandse provincie Utrecht. Het ligt tussen Leusden en Rhenen en omvat een veelheid van landschapsvormen, waarvan de stuwwal de meest in het oog springende is. Ook heidevelden, stuifzanden en uiterwaarden maken deel uit van het nationaal park. De Heuvelrug is op de Veluwe na het grootste bosgebied van Nederland. Het nationaal park bestaat sinds 2003. In 2013 werd het aanzienlijk uitgebreid. Met het uitroepen tot nationaal park werd een wettelijke basis gelegd om het gebied te beschermen en aantrekkelijk te houden voor toekomstige generaties. Door de instelling van het nationaal park kan de Utrechtse Heuvelrug beter worden beschermd tegen de druk van stedelijke ontwikkelingen en tegen vergaande versnippering. De gezamenlijke eigenaren streven naar bescherming van de natuur en de cultuurhistorische waarden in het gebied.

Omvang en ligging

Het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug is een grotendeels heuvelachtige gebied van ongeveer 10.000 ha (100 km²). Het beslaat het zuidoostelijke deel van de Utrechtse Heuvelrug en bestaat uit bos, heide, zandverstuivingen en grasland. Aan de zuidzijde, rondom Amerongen, bevinden zich de uiterwaarden van de Nederrijn die tot het nationaal park behoren. Tot 2013 werd de noordgrens van het nationaal park gevormd door de A12 (en de spoorlijn Utrecht – Arnhem die er grotendeels parallel aan loopt). Dit was een belangrijke ecologische barrière. Er werden echter plannen gemaakt om ecoducten aan te leggen over deze autosnelweg en de ernaast gelegen spoorlijn. Deze ecoducten maakten deel uit van een pakket van maatregelen in het kader van het programma ‘Heel de Heuvelrug’ dat als doel had om de versnippering van de Heuvelrug tegen te gaan, zodat dieren en planten een groter aaneengesloten leefgebied zouden krijgen.

Ter hoogte van Elst zorgt een faunapassage onder de N225 voor een verbinding tussen de Heuvelrug en de uiterwaarden van de Rijn.

Naar het oosten toe strekt zich de Gelderse Vallei uit. Het ecoduct Rumelaar verbindt het Leersumse Veld met het natuurgebied Rumelaar. Het Leersumse Veld ligt op de Heuvelrug. Rumelaar ligt in de Gelderse Vallei. Het ecoduct overspant de A12 en de spoorlijn Utrecht-Arnhem ten oosten van Maarsbergen.

Het ecoduct Mollebos, tussen Driebergen en Maarn verbindt het zuidelijk deel van de Utrechtse Heuvelrug met het noordelijker gelegen gedeelte. Dit ecoduct is aangelegd in 2012.

Op 10 oktober 2013, 10 jaar na de oprichting van het nationaal park, liepen de voorzitter van het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug, Dick Wijte en gedeputeerde Bart Krol met een schaapskudde over het ecoduct Mollebos. Daarmee bezegelden ze de uitbreiding van het nationaal park met 4000 ha. Vanaf dat moment is ook het gebied tussen A12 en A28 deel van het nationaal park. De Leusderheide, de bossen van Zeist en Austerlitz, de landgoederen Bornia, Noordhout en Den Treek-Henschoten kwamen binnen het nationaal park te liggen.

In 2007 was een kudde van 50 schapen met hun herders van 17 september tot en met 7 oktober onderweg om de tocht van 100 km van de Nederrijn bij Rhenen tot aan het Gooimeer bij Naarden te lopen. Daarbij ontmoette de kudde tal van barrières. De tocht werd gemaakt om te laten zien hoeveel hindernissen wilde dieren op de Utrechtse Heuvelrug tegenkomen. Anno 2013 werd berekend, dat door de aanleg van ecoducten de tocht toen makkelijk in een week zou kunnen worden gedaan.

Op 25 januari 2018 werd een intentieovereenkomst getekend, waarin de provincie Utrecht, samenwerkende gemeenten, terreinbeheerders, belangenverenigingen, maatschappelijke organisaties waaronder de Natuur en Milieufederatie Utrecht (NMU), en ondernemers, hun ambitie uitspraken voor een groter Nationaal Park: de hele Heuvelrug, van Gooimeer tot Grebbeberg, ondergebracht in één groot Nationaal Park. In totaal zeventien partijen tekenden de overeenkomst, die het resultaat was van gesprekken die sinds 2016 werden gevoerd.

Flora en fauna

Zoogdieren die in het nationaal park leven zijn onder meer het ree, de vos, de das en de zeldzame boommarter. Er broeden meer dan honderd soorten vogels in het nationaal park De Utrechtse Heuvelrug. Het streven is om, door het maken van ecologische verbindingszones, de biodiversiteit te vergroten.

Ecologische verbindingen

De instelling van het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug was bedoeld om het gebied te beschermen tegen de vaak sluipende bedreigingen van verstedelijking en versnippering. Het nationaal park heeft geen planologische status, en kan dus niets afdwingen. Maar door het versterken van “collectieve bewustzijn van het belang van een aaneengesloten natuurgebied en door samenwerking van alle betrokkenen” kan gewaakt worden voor verdere teloorgang. Aaneengesloten natuurgebieden, zo is de gedachte, herbergen méér planten- en diersoorten dan kleinere, of versnipperde gebieden omdat ze grotere overlevingskansen bieden. Door de aanleg van ecoducten en fauna-tunnels en door het plaatselijk verwijderen van afrasteringen wordt geprobeerd de doorsnijdingen van het gebied ongedaan te maken. Naast de ecoducten Mollebos en Rumelaar over de A12 is het ecoduct Treeker Wissel sinds 2009 een belangrijke ecologische verbinding in het middendeel van de Heuvelrug. Met het oog op verder uitbreidingen in noordwaartse richting zijn bijvoorbeeld de ecoducten Leusderheide over de A28 en de ecoducten Boele Staal en Beukbergen over de N237 van groot belang.

Recreatie

Binnen het nationaal park is veel ruimte voor recreatie. Er is een goed netwerk van wandel-, fiets-, mountainbike- en paardenroutes. Die routes zijn geconcentreerd aan de zuidkant van het nationaal park. Daar liggen de meeste dorpen. Centraal op de Heuvelrug zijn minder routes en recreatieve voorzieningen. Deze zonering betekent dat het middengebied een rustgebied voor dieren blijft. Er kan gewandeld worden in een stille omgeving. Jaarlijks bezoeken meer dan een miljoen mensen het nationaal park. Om de bezoekers aan de randen van het nationaal park op te vangen zijn een aantal “poorten” en “groene entrees” aangelegd. Deze zijn de startplekken voor het bezoeken van het gebied. Er zijn parkeerplaatsen. Er is een informatie-zuil en hier beginnen de wandelroutes. De entrees zijn bereikbaar met het openbaar vervoer. “Poorten” dienen voor de opvang van de bovenregionale bezoeker; deze zijn dus goed bereikbaar met de auto en/of de trein. De poorten hebben een hoog voorzieningenniveau en eventueel transferiummogelijkheden. “Groene entrees” dienen voor de opvang van lokale bezoekers. Het zijn startpunten van wandelroutes met een parkeerplaats, een informatiezuil en eventueel kleinschalige horecavoorzieningen. Voor het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug zijn de “poorten”: Station Driebergen-Zeist, het Henschotermeer en Kwintelooijen bij Veenendaal. De groene entrees liggen voor het grootste deel langs de zuidelijke rand van het nationaal park.

Organisatie

Op 11 oktober 2003 werd het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug geopend door de toenmalige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Cees Veerman. Aan de instelling van het nationaal park lag ten grondslag een “Beheers- en Inrichtingsplan” dat door de betrokken partijen gezamenlijk was opgesteld. Dit plan werd begin 2003 door de minister goedgekeurd. In het plan werden de doelen en plannen omschreven op het gebied van natuur(-beheer), cultuur, natuurgerichte recreatie, onderzoek, communicatie en educatie.

Het nationaal park is juridisch een samenwerkingsverband van terreineigenaren, terreinbeheerders, overheden en belangenorganisaties. De eigenaren zijn Staatsbosbeheer, het Utrechts Landschap, de Vereniging Natuurmonumenten, Recreatie Midden-Nederland, de gemeente Utrechtse Heuvelrug, Landgoed Den Treek-Henschoten, het ministerie van Defensie, de gemeente Rhenen en particuliere eigenaren. Op zichzelf was het een huzarenstukje om al die verschillende eigenaren op één lijn te krijgen. Maar uiteindelijk zijn ze het met elkaar eens geworden over het belang, het karakter en de inrichting van het park: minder hekken, meer natuurlijk bos en heide en een aaneengesloten natuurlijk gebied met uitloper naar de uiterwaarden.

Het bestuur van het nationaal park was aanvankelijk in handen van het “overlegorgaan”. Later werd dit de “deelgebiedscommissie”. Hierin zijn terreineigenaren, overheden en belangenorganisaties vertegenwoordigd. De commissie, die het bestuurlijke fundament van het nationaal park vormt, wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter en heeft een onafhankelijke secretaris. De voorzitter was van 2004 tot 2016 Dick Wijte; hij is opgevolgd door Janine Caalders. Secretaris is Renske Zwart.

Naast de deelgebiedscommissie is in 2007 een “gebruikersplatform” opgericht. Dit is een klankbordgroep voor de gebruikers van het nationaal park en kan gevraagd en ongevraagd advies geven.

Alhoewel het nationaal park geen planologische status heeft en formeel niets kan afdwingen, wordt door saamhorigheid en verbeeldingskracht veel bereikt. Hoofddoel is het beschermen van de natuurlijke en culturele kwaliteiten van het gebied. Daarnaast is een doel om de mensen de gelegenheid te bieden om van die kwaliteiten te genieten.

Oude boskernen op de Heuvelrug

Onder auspiciën van de provincie Utrecht is in 2001 en 2002 onderzoek gedaan naar het voorkomen van oude boskernen op het Utrechtse deel van de Heuvelrug[3]. Een oude boskern wordt in het onderzoek gedefinieerd als een:

“actuele groeiplaats van autochtone (=wilde) bomen en struiken die afstammelingen zijn van de oorspronkelijke inheemse flora die na de ijstijd op eigen kracht Nederland heeft bereikt. De groeiplaats kan zowel een bos betreffen alsook een houtwal of een enkele boom of struik welke als relict van het oorspronkelijke bos te beschouwen is.”

Op de Heuvelrug zijn in totaal enkele honderden van zulke oude boskernen gevonden. Ze bestaan voor een groot deel uit voormalig hakhout van vooral zomereik. Ook wintereiken en beuken komen op de Heuvelrug plaatselijk voor in de vorm van hakhout.

Oude boskernen zijn onder andere waardevol omdat ze een grote biodiversiteit bezitten, leefmilieus voor bijzondere planten en dieren scheppen en een hoge belevingswaarde voor de recreant bezitten. Zo zijn er dieren als boommarter, rosse vleermuis, franjestaart en bijzondere soorten loopkevers te vinden. De boskernen vertegenwoordigen niet alleen een grote ecologische, maar ook een belangrijke cultuurhistorische waarde.

Op sommige delen van de Heuvelrug komen concentraties van oude boskernen voor. Deze plaatsen worden aangeduid als “sterlocaties”. Deze sterlocaties zijn:

  • de bossen van de Grebbeberg
  • het bosreservaat Het Jagtbos bij de Elsterberg
  • de bossen ten oosten van Klein Ginkel bij Amerongen
  • De Stompert en De Vlasakkers
  • de Leusderheide
  • de Soester Duinen
  • de Zevenlindenweg en andere lanen bij Lage Vuursche

Geschiedenis

Op de Utrechtse heuvelrug bij Rhenen gevonden vuurstenen gereedschappen van 100.000 tot 150.000 jaar oud (Midden-paleolithicum) behoren tot de oudste vondsten in Nederland ten noorden van Zuid-Limburg. In het Laat-paleolithicum nemen de vondsten toe en vinden we ook nederzettingsresten (Weichselien, ca. 13.000-9000 vC).

Tijdens het Mesolithicum (circa 9000-4500 vC) verbeterde het klimaat en nam de bevolking van jagers en verzamelaars toe. In het Vroeg-Neolithicum (circa 5000-4000 vC) zien we de eerste landbouw en veeteelt. Samenhangend met de sterke bevolkingsgroei en sociale ontwikkeling van het Laat-Neolithicum (circa 3100-2100 vC) ontstaan de eerste grafheuvels op de heuvelrug.

In de Vroege middeleeuwen maakte de Heuvelrug deel uit van de gouw Flethite. Vanaf deze tijd ontstonden de engdorpen. Deze lagen op de overgangen van de heuvelrug naar de lagere gebieden. Kenmerk van deze vroegmiddeleeuwse nederzettingen was het gemeenschappelijk gebruik van de grond. De boerderijen lagen bij elkaar aan een centrale open ruimte, de brink. Rondom de dorpen lagen op de hogere gronden de engen, de akkers, omheind door een houtwal. Daarnaast werden bosjes in standgehouden als eikenhakhout. Op de meer vochtige terreinen lagen de onverkavelde weidegronden, de meent. Verderop lagen de hooilanden, de maten. Boven op de stuwwal lag het veld, onontgonnen bos, heide en veen. Engdorpen aan de zuidwestrand van de Heuvelrug zijn Rhenen, Elst, Amerongen, Leersum en Doorn. Aan de noordoostrand liggen Soest, Baarn, Oud-Leusden, Woudenberg, Maarn en Maarsbergen.

In de vroege middeleeuwen strekte het zogenoemde Westerwoud zich nog uit van Rhenen tot Zeist, en in het noorden tot Amersfoort. Met de komst van schaapskudden traden in de periode van de elfde tot de veertiende eeuw grote veranderingen in. De schapen begraasden de woeste gronden, die zich tot heidevelden ontwikkelden. ’s Nachts verbleven de schapen in schaapskooien bij de boerderijen. In deze potstallen deponeerden ze hun mest op heideplaggen. Dit werd vervolgens op de akkers gebracht. De akkers werden als gevolg van de eeuwenlange bemesting opgehoogd. Tegelijkertijd verdwenen in het veld de bossen. Wat overbleef waren uitgestrekte, open heidevelden en stuifzanden. Uiteindelijk was praktisch al het oorspronkelijke bos van de Heuvelrug verdwenen. De Heuvelrug op liepen alleen de brede schapendriften, de wegen waarlangs de schapen trokken van de stal naar de heide. Deze zijn nog in het landschap terug te vinden.

Vanaf de 17e eeuw werd langs de warme zuidhelling van de stuwwal bij Elst en Amerongen tabak geteeld. Enkele tabaksschuren zijn bewaard gebleven.

In 1797 vestigde de Franse hugenoot Jean Marie D’Amblé zich op de heide ten oosten van Zeist. Hij bouwde er een huis, de Wallenburg (genoemd naar de wallen die het stuifzand tegen moesten houden) en deed de eerste pogingen de heide voor landbouw geschikt te maken. Daarvoor gebruikte hij paardenmest afkomstig van de napoleontische troepen die in 1804 onder De Marmont op het Kamp van Zeist gelegerd waren. Het zou echter tot het eind van de negentiende eeuw duren voordat de meeste woeste gronden weer werden omgevormd tot bossen, met de grootschalige aanplant van naaldbomen. De bossen leverden grondstof voor leerlooierijen (eikenschors), brandhout en mijnhout.

Aan het eind van de zeventiende eeuw worden langs de randen van de Heuvelrug de eerste landgoederen en buitenplaatsen gesticht. Dat proces raakt in een stroomversnelling in de negentiende eeuw. Dan begint men ook de heide te ontginnen en bebossen. Toen in 1815 de weg van De Bilt naar Rhenen werd bestraat nam het aantal buitenplaatsen sterk toe. In het zuidelijke deel zijn thans nog circa 80 buitenplaatsen te herkennen in het gebied van “De Stichtse Lustwarande”.

Meer informatie

Bronnen

Deze pagina maakt gebruik van informatie van Wikipedia.org (Utrechtse Heuvelrug (stuwwal) en Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug) onder een vergelijkbare Creative Commons-licentie die wordt gebruikt door WandelROOTS!

Wandelkaart en GPS

Download het Sarphatipark Amsterdam GPX wandelroute en importeer dit in uw mobiele telefoon of GPS-apparaat. Onze GPX-bestanden zijn compatibel met de GPX 1.1-standaard en werken met apps zoals OSMAnd, Topo GPS, Wikiloc en Maps 3D Pro. Lees meer over onze GPX-bestanden. We raden je aan om je mobiele telefoon zo min mogelijk te gebruiken! TIP: bestudeer de route ruim voordat je vertrekt!

Vrij Wandelen

Onze website en GPX-downloads zijn gratis en alle inhoud op deze site wordt geleverd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationaal (CC BY-SA 4.0) licentie. Dit betekent dat het u vrij staat om de inhoud te kopiëren, te delen en aan te passen, maar we vragen u een link naar het originele werk te verstrekken en het onder dezelfde licentie te delen. Sharing is caring!

Wij vinden dat wandelen vrij moet zijn en dat u niet door derden moet worden gevolgd als u gaat lopen. Onze website gebruikt geen cookies en registreert of volgt u niet door uw privégegevens naar diensten van derden te sturen. Vrij wandelen!